Waarom halen we bomen en struiken weg?
We begrijpen dat het verwijderen van bomen vragen of zorgen kan oproepen. Bomen, bosschages en houtwallen zijn vaak een vertrouwd onderdeel van het landschap en hebben voor veel mensen een bijzondere waarde. Het verdwijnen ervan verandert de omgeving zichtbaar.
Toch zijn deze werkzaamheden soms noodzakelijk. In dit geval gebeurt dat om de natuur in dit gebied te beschermen en te versterken. Hieronder leggen we uit waarom de bomen worden verwijderd en hoe het gebied zich daarna verder ontwikkelt.
Grofweg zijn er vier redenen om bomen en struiken weg te halen:
Licht
Sommige planten in dit gebied zijn zeldzaam én kwetsbaar. Ze hebben zon nodig en verdragen geen schaduw. Groeien er bomen en struiken overheen, dan verdwijnen ze binnen een paar jaar. Door die bomen en struiken weg te halen, houden we ze in stand.
Water
Bomen verdampen veel water. Op plekken waar de natuur juist een natte bodem nodig heeft, werkt dat tegen natuurherstel. Minder bomen betekent hier: meer water in de bodem. Dat versterkt de andere dingen die we in het gebied doen, zoals het ondieper maken van beken en het weghalen van buizen die water afvoeren.
Ruimte voor herstel
Waar nu jong bos staat, komt ruimte voor natte bloemrijke graslanden (blauwgrasland), drijvende veenmosmatten (trilveen), heide en bos met veel meer verschillende soorten planten. Het zaad van veel van die planten zit vaak nog gewoon in de bodem. Het heeft alleen licht en ruimte nodig om te ontkiemen.
Cultuurhistorisch beheer
Een deel van het werk is herstel van oude houtwallen en van hakhout: bomen die vroeger regelmatig kort werden afgezaagd, zodat ze steeds opnieuw uitliepen. Die horen bij dit landschap, dat eeuwenlang is gevormd door een samenspel van mens en natuur.
Ze verdwenen langzaam doordat niemand ze meer zo beheerde. Een houtwal hield vroeger het vee tegen en werd daarom regelmatig afgezaagd. Met de komst van prikkeldraad was dat niet meer nodig. Het gevolg is dat er nu eens in de zoveel jaar een grotere ingreep nodig is om zo’n houtwal te behouden.
Waarom hier wel, en honderd meter verderop niet?
Er wordt niet zomaar gekapt. Voor elke plek is bekeken wat er nodig is voor de natuur, en dat staat beschreven in het inrichtingsplan voor dit gebied. Het gaat vooral om jong bos en om struiken en boompjes die vanzelf zijn opgekomen en de kwetsbare planten overgroeien. Oude eiken, beuken en andere bomen die hier van oudsher thuishoren, blijven zoveel mogelijk staan.
Daarom werken we in losse plekken, verspreid door het gebied, en niet in één groot aaneengesloten vlak. Dat maakt het beeld soms verwarrend; de ene plek gaat open, de plek ernaast blijft zoals hij is. Dat is geen willekeur, maar maatwerk.

Speciaal voor het vliegend hert
Op een aantal plekken werken we aan het leefgebied van het vliegend hert. Dat is de grootste kever van Nederland: mannetjes worden tot negen centimeter groot, met vertakte kaken die op een gewei lijken. Het is een van de zeldzame dieren waarvoor Springendal en Dal van de Mosbeek is aangewezen als Natura 2000-gebied.
Het vliegend hert heeft drie dingen nodig: oude houtwallen, zonnige bosranden en dood hout in de bodem. De larven leven jarenlang van rottend hout onder de grond, voordat ze als kever tevoorschijn komen. Daarom doen we hier iets wat op het eerste gezicht tegenstrijdig lijkt: we zagen eiken om of zagen de kroon eraf, maar we laten de stronken en het dode hout gewoon liggen. Precies dat achtergelaten hout is de kinderkamer van de kever.
Verder zorgen we voor meer afwisseling in bomen en struiken, en zagen we bosranden om de zoveel jaar terug. Zo blijven die randen open en zonnig. En door houtwallen te herstellen, verbinden we leefgebieden met elkaar, zodat vliegende herten zich door het gebied kunnen verplaatsen.
Ziet zo’n plek er rommelig uit? Dat klopt. Voor het vliegend hert is dat de ideale situatie.
En wat gebeurt er daarna?
Direct na de werkzaamheden ziet een plek er kaal en gehavend uit. Het duurt even voordat daar iets moois voor terugkomt: reken op enkele jaren voordat je de eerste duidelijke verandering ziet, en langer voordat alles zich echt heeft ontwikkeld.
In die tijd blijft beheer nodig, want jong bos komt vanzelf weer terug als je het zijn gang laat gaan. We volgen de ontwikkeling en laten via deze site en de nieuwsbrief zien wat er verandert. Op een aantal plekken maken we steeds vanaf hetzelfde punt foto’s, zodat je het verschil over de jaren heen kunt volgen.
Heb je vragen of opmerkingen? Dan kun je mailen met Anke Volkerink, omgevingsmanager Natura 2000 Springendal & Dal van de Mosbeek (a.volkerink@overijssel.nl).